"
Wat ben je druk", werd er vaak tegen mij gezegd. Ik voelde mij niet geaccepteerd. Ik moest dus blijkbaar anders zijn, was in mijn zijn blijkbaar niet goed genoeg. Inmiddels weet ik beter. Iedereen is uniek, met zijn eigen aard. En wat is "druk"? Niet meer dan een woord, een waarde oordeel. Als ik naar mijn grote vriend Jochem Meijer kijk, vind ik hem niet druk. Wat ik zie is vrolijkheid, een blije ziel die zijn lichte energie ventileert. Als mensen nu nog zeggen dat ik druk ben, dan denk ik maar dat zij zoveel blijheid niet gewoon zijn, dat het daarom vreemd op hen overkomt. Bovendien ken ik ook mijn rustige momenten, als ik slaap bijvoorbeeld.
Alles heeft twee zijden. Het is maar hoe je het bekijkt, dat maakt het verschil. Niets is wat het lijkt. Als je verder durft te kijken dan de horizon, zie je zoveel moois, overkomen je de mooiste dingen.
Als zwartheid mij raakt, probeer ik het licht te bereiken, daar waar het goed voelt. Ik ben de laatste die zal beweren dat het eenvoudig is. En misschien kan een mens in zoveel donkerte vallen dat een uitweg niet meer mogelijk is, dat het te zwaar is om nog het licht te bereiken. Wel weet ik dat de slachtofferrol nimmer succes heeft opgeleverd, ook al ben je slachtoffer. Er is niemand die boven zegt: "Ach wat is jou veel leed overkomen! Kom, ik zal je er uit tillen en je leven licht maken!" Wel kun je om hulp vragen. Dat deed ik uiteindelijk ook in zware tijden. Dan zijn er zoveel mensen die ware Engelen blijken, die God in hun hart dragen en jou alles geven wat je nodig hebt. Dat ontroert, dat maakt je licht en sterk.
Als je wordt geraakt door het lot, dan kun je maar het beste de parels eruit halen die het oplevert. Die parels, die wonderen zijn er. Ik heb ze al zo vaak ervaren.
Elke dag ben ik dankbaar dat ik leef, dat ik zoveel liefde mag kennen. Zonder de kille dalen, had ik de zomerse velden niet gekend. De velden vol kleurige en fleurige bloemen waar deze vlinder zo van genieten kan.
Hij schudt zijn hoofd. "Er is geen redden meer aan", zegt hij. Alle opties zijn besproken. De minst gunstige blijft over. Het moet dan maar.
Ik dacht dat ik gek werd. Plotseling opkomende pijn in de nacht heeft mij in deze stoel doen belanden, in zonnig geel, dat wel.
"Hoe kan dat nou zomaar ?", vraag ik hem.
"Tja, soms gebeurt dat gewoon, dan kan het snel gaan", antwoordt hij.
Hij is zichtbaar teleurgesteld dat hij niet meer voor mij kan betekenen. Het enige dat hij nog voor mij kan doen, is mijn helse pijn wegnemen. Dat zal de pijn, om datgene dat verloren gaat, verzachten.
De verlossing gaat niet zonder slag of stoot. Even later krijg ik een gaasje op de gapende wond.
"Twee dagen vloeibaar eten", is het advies.
Nog een geluk bij een ongeluk. Na mijn fantastisch verblijf in Frankrijk mag er wel een kilootje af. Dat zal met een kwark dieet en wat magere yoghurt wel lukken.
De vierdaagse is weer begonnen. Het gaat daarbij niet alleen om de sportieve prestatie, maar om meer. Het verbindt mensen. Niemand loopt alleen. In zware momenten zijn het de sterken die de zwakkeren helpen. Velen lopen om een hoger doel, vieren hun overwinning op een dodelijke ziekte of gedenken hen die het niet haalden. Die verbondenheid tijdens deze dagen is groot.
Diezelfde verbondenheid is voor mij dagelijks voelbaar. We bewandelen geen van allen ons pad alleen. Hoe gezegend zijn zij die de verbondenheid voelen. Triest genoeg zijn er ook velen die het niet voelen, zoals Maan, mijn allerliefste broer, wiens ziel getergd wordt door grote eenzaamheid. De zwartheid van zijn isolement doet mijn hart wenen.
Mijn leven kende vele zwarte dagen. Het duurde lang voor ik mij volledig in Gods liefde voelde opgenomen. Mijn weg is lang eenzaam geweest, tot ik ziek werd. Toen opende mijn hart zich, toen ging er een wereld voor mij open, een nieuwe wereld, een dimensie van liefdevolle verbinding.
We zijn allen reizigers die onze eigen weg moeten gaan, maar nimmer alleen. Daar waar nodig gedragen door de Liefde die ons allen bindt.
Donker en regenachtig. Het weer lokt niet echt om te gaan hardlopen. Met zomerse muziek in mijn oren moet het wel lukken om in zinderende sferen te komen. Een meisje op de step zegt mij vrolijk gedag. Dat begint goed. Mijn herder dartelt er vrolijk op los, weer of geen weer, dat maakt haar niet uit. Zij is altijd Zen en blij gestemd. Gelukkig ga ik steeds meer op haar lijken. Ze holt iets te uitbundig en struikelt over haar eigen pootjes. Met een glimlach loop ik verder. In de verte zie ik een jongen naar mij zwaaien. Hij heeft ook een hond. We hebben elkaar al veelvuldig gesproken. "Ik word vader!" roept hij enthousiast naar mij. "Geweldig! Gefeliciteerd!", antwoord ik.

Mijn glimlach bereikt mijn hart. Ik ben blij voor hem, maar niet alleen voor hem, ook voor mijzelf. Dat ik mag meemaken dat hij mij dit blijde nieuws brengt. Dat had ik een paar jaar geleden niet durven dromen, toen een schaduw mij trof en ik met een zwart hart door deze bossen liep. Toen wist ik niet of er nog een morgen voor mij zou zijn. Nu, twee jaar later, mag ik weer lachen en huilen. Mijn wangen nat. Het zijn tranen van ontroering, van blijdschap om dit leven, dit mooie leven.
(Luister eens naar The Irrepressibles- In this shirt, moderne Bach, zo mooi!)
Ik zie haar naderen. Aan haar gedreven pas te zien, vermoed ik dat ze mij kent.
"Dag lieve Vlinder", zegt ze, met de stem van een engel.
Ik had het dus goed.
Ik zie haar vriendelijk gelaat. Haar ogen stralen zoveel liefde uit. Er gaat geen belletje bij mij rinkelen.
"Help mij even", vraag ik.
Dan zegt ze haar naam.
"Ik ben Maria", zegt ze lachend.
"Maria!" roep ik met grote verbazing.
Zelfs haar naam is mooier dan die van anderen met dezelfde naam.
Maria wandelde op een dag zomaar mijn leven binnen. Natuurlijk niet zomaar. Zoals niets zomaar in mijn leven gebeurt.
Maria leerde ik kennen op een plek waar plaats en tijd niet belangrijk zijn, daar waar wij ons ware zelf zien.
Sinds die dag is zij innig met mij verbonden. Zij is het zoveelste wonder dat mij zomaar in de schoot geworpen werd.
"Was je verdrietig, meisje?" vraagt hij.
Ik heb mijn vader aan de lijn. Blijkbaar heeft hij fragmenten van het telefoongesprek opgevangen dat ik zojuist met Maan had. Mijn broer heeft mij getroost, mijn tranen met zijn woorden doen stoppen. Hij liet mij zelfs weer lachen.
Het is lang geleden dat ik het voor het laatst voelde. Ik was het vergeten, hoe het was. Nu overvalt het mij, neemt het mij volledig in zijn greep. Ik kan benoemen waardoor het is gekomen, waarom ik nu verdrink in dit immense gevoel van eenzaamheid, die desolaatheid, die ik vroeger zo sterk heb gekend. Toch heeft het mij verrast.
"Ja, pap", antwoord ik.
Ik luister naar de rustgevende woorden van mijn vader. We hebben nagenoeg geen woorden meer nodig om elkaar te begrijpen. Hoe anders was dat vroeger.
Even later voel ik weer tranen. Dit keer zijn ze van ontroering, niet van verdriet.
Mijn vader en ik; we vinden elkaars hart nu zonder omwegen.
Ik verbaas mij er telkens opnieuw over, hoe ze het voor elkaar krijgen. Het is zo ongelooflijk knap van ze! De wereld is zo groot en dan moeten ze net mij hebben. Dan loop ik weer uren met betraande ogen, omdat ze mij zo irriteren! Zij hebben zo oneindig veel meer ruimte dan ik! Ik heb hen niets misdaan! Ik volg gewoon de gangbare paden. Als het voorjaar zich aandient, komen de kleine lastpakken plotseling uit alle hoeken tevoorschijn. Het zijn de kamikazen onder de brokkenpiloten. Ze moeten hun actie immers met de dood bekopen. Het is een schrale troost voor mij, als ik, na mijn hardloopronde, voor de spiegel, het irritante vlegeltje uit mijn, inmiddels rood aangelopen, oog peuter.